“Ach Jezus! Een kunstenaar!” - ilovenoord

“Ach Jezus! Een kunstenaar!”

“Ach Jezus! Een kunstenaar!”

En zo geschiedde het in die dagen dat ik op een fijne warme lenteochtend door de Van der Pekstraat reed op weg naar een afspraak in EYE, toen er uit mijn rechterooghoek plotseling een groene flits zich met een doffe klap in mijn rechter motorkap boorde. Ik remde en stond acuut stil, en geschrokken opende ik mijn portier om uit te stappen en te kijken wie of wat er onder mijn rechterwiel was beland. In één klap was mijn humeur grondig verpest. “Ach Jezus! Een kunstenaar!”

Ik schreeuwde het uit van woede en frustratie. Vastgeklemd met zijn fiets tussen auto en stoep zat hij daar een beetje te jammeren en te sissen. De cultuurheld droeg een groen legerjack van het Waterlooplein en op zijn eigenwijze smoelwerk – lang vettig haar, je kent het wel- ruste een kromgebogen gouden ziekenfondsbrilletje. Hij zag er kortom vreselijk uit. Gelukkig kon ik aan heel zijn ongelukkige gesticuleren merken dat onze Kulturfreund behoorlijk benard was. “Mijnheer!, mijnheer!” riep hij, “wilt u mij direct losmaken?!”

Nou kan je bij mij van alles flikken, maar én tegen mijn auto aanrijden, en ook nog eens eisen dat ik je direct losmaak? Nee mijnheertje, zo zijn wij hier in Noord niet met elkaar getrouwd. Ik gaf dus even een korte dot gas. “Hoe vragen wij dat, mijnheer de kunstenaar?” sprak ik op strenge toon. Even keek het kwezelwezen me vragend aan, maar gelukkig volgde bij de tweede dot al snel “alstublieft mijnheer!, alstublieft!”. Gas los. “En waarom zou ik jou nu laten gaan? “Nou, mijnheer, ik ben stadsmaker, en ik ben op weg naar een hele belangrijke vergadering waar wij stadsmakers kijken hoe we Amsterdam Noord leefbaar kunnen maken, want het is nu heel erg met Noord!”.

Ik moest nu toch echt even nadenken. Ik reed door een net opgeknapte Van der Pekstraat, heb de hele Noordoever zien veranderen in Manhattan aan het IJ en zelfs het Onderbuikslotermeerplein leek met de komst van de Noord-Zuidlijn uit zijn as herrezen. “Erg?” vroeg ik twijfelend. Wat bedoelde die man toch? “Ja! Heel erg, er is hier een heel laag aanbod van kunst en cultuur, en dat merk je want er stemmen hier heel veel mensen PVV.
En met stadsmakers gaan we bijvoorbeeld met mensen in gesprek op de markt of ze weten hoe erg het is om racist te zijn en of ze hier mee zouden willen stoppen en dat levert hele goede gesprekken op”. “Aha” zei ik, “Ja! En we macrameeën plantenhouders met mensen die zich niet thuis voelen in de samenleving zodat ze zich beter kunnen aarden!”

De logica van alles leek een beetje langs me heen te gaan, maar de gloeiende passie in de ogen van deze jongeman sprak boekdelen. Hij was duidelijk de kwaadste niet en nog wat jong en naïef. Maar goed. Daar kon hij toch niks aan doen? En zo alles bij elkaar was hij ook echt niet zo lelijk. Wie was ik om zo’n puur en enthousiast schepsel gevangen te houden onder mijn mooie donkergroene V70? Kortom: ik zette de Zweedse bolide in zijn achteruit en met een flinke pets op zijn schouder duwde ik de ziekenfondsbril richting stadsdeelkantoor. “Daar moet je zijn denk ik?” “

Ja mijnheer, ik trap snel door!”. Ik voelde me alsof ik een gevangen insect had uitgezet en weg zag vliegen.
Heerlijk die lente.